Lam Gods


Homilie

Vorige week herdachten we het doopsel van Jezus. Zonet hoorden we in het Evangelie volgens Johannes, het rechtstreekse getuigenis van Johannes de Doper over dat doopsel van Jezus Jezus. Volgende zondag duiken we volop het openbaar leven van Jezus in. Maar vandaag blijven we dus nog even in de dynamiek van de expliciete theofanie, van de godsopenbaring. Want daar komen de woorden van de Doper wel op neer.


Van de vier evangelisten is Johannes diegene die het meest rechtstreeks de kerkvaders geïnspireerd heeft bij hun moeizame uitbouw van het christelijk dogma. Het christelijk dogma, zeker het christologische deel ervan, is uiterst kort. Het drukt op bondige wijze de absolute kern uit van het christelijk geloof. Het is tot stand gekomen in het eerste millennium van onze jaartelling. Daardoor is het gemeenschappelijk aan katholieken, orthodoxen en protestanten.

In de evangelielezing van daarnet zijn er twee stukjes die voor de ontwikkeling van ons dogma zo belangrijk zijn geweest:

Zie het Lam Gods dat de zonde van de wereld wegneemt.

En meteen daarna:

Deze is het van wie ik zei: Achter mij komt een man die vóór mij is, want Hij was eerder dan ik.”

Laten we eerst even inzoomen op “Lam Gods dat de zonde van de wereld wegneemt.” Een zinnetje dat we in de eucharistie steeds bidden, net voor de communie. Jezus wordt er een lam genoemd, dat komt om de zonden van onze wereld weg te nemen. Geen zondenbok, die willekeurig wordt uitgekozen; geen gedwongen slachtoffer dat, uiteraard tegen zijn wil, opgeofferd wordt om de woede van het volk voor een tijdje te doen koelen. Neen, we weten dat Jezus zichzelf, vrijwillig, aanbiedt. Niet gedreven uit angst of externe druk. Wel uit liefde. Niet eenmalig. Wel doorlopend: gedurende zijn hele publieke leven, in het laatste avondmaal, en sinds zijn kruisdood en verrijzenis, in elke eucharistie, tot op vandaag.

Op die wijze vindt doorlopend een wonderbare ruil plaats. Als wij, gewone mensen, met kwaad geconfronteerd worden, zullen wij vaak spontaan, al of niet bewust, op de een of andere wijze dat kwaad doorgeven. Als een schakel in een lange keten. De Franse filosoof Girard heeft zijn oeuvre opgebouwd rond het inzicht dat bij Jezus die eindeloze spiraal van het geweld stopt. Tegenover kwaad plaatst Jezus liefde. Hij absorbeert ahw het kwaad zonder het terug uit braken. Aldus neemt hij de zonde weg, en laat ons, in ruil, toe, om te delen in de eindeloze liefde van God.

Nog kort iets over het tweede zinnetje: "Achter mij komt een man die vóór mij is, want Hij was eerder dan ik.” Johannes de Doper zegt hier dat Jezus weliswaar na hem verwekt en geboren is, maar tegelijkertijd reeds bestond voor hem. Om een duur woord te gebruiken, de Doper verwijst hiermee naar wat in de theologie de “preëxistentie” wordt genoemd. En hiermee komen we in het hart van het dogma over de 3-eenheid en het christologische dogma. Jezus, is niet zomaar een mens.

 Hij is helemaal mens, maar Hij is ook helemaal God. Jezus is één unieke persoon, die in zich de goddelijke en de menselijke natuur verenigt.

 En de preëxistentie dan. Als mens is Jezus, zoals elke mens, op een bepaald moment in de geschiedenis beginnen bestaan. Voor zijn verwekking bestond de mens Jezus niet. Maar als Zoon van God, als tweede Persoon van de drieëne God, de Logos, het Woord, bestaat Hij sinds altijd, preëxisteert Hij van in de eeuwigheid. Dat is het ook waar Johannes aan refereert in het eerste vers van zijn Proloog: “In het begin was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God.

Intellectuele Spielerei, denkt u nu misschien. Het is waar dat de studie van de ontwikkeling van het dogma intellectueel uitzonderlijk boeiend is. Maar ook voor ons gewone dagdagelijkse leven als christenen hier in Antwerpen, kunnen wij iets opsteken uit die leer van de preëxistentie van het Woord.

Als Jezus er gekomen is, is dat niet zomaar een toevallige gebeurtenis in onze geschiedenis. Althans niet als we ons plaatsen in een gelovig perspectief. Jezus is méér dan zo maar een mooie mens die ons iets geleerd heeft over God, maar die net zo goed niet had kunnen bestaan. Als Christenen geloven wij dat het behoort tot het wezen van God om uit zichzelf te treden. Het maakt deel uit van het wezen van de Scheppende God dat Hij zich helemaal wil geven aan zijn schepping, in de persoon van Jezus. Dit is niet het gevolg van een toevallige geboorte. Neen, dit is altijd zo geweest.

God kan niet anders dan zich helemaal te geven. Gisteren, vandaag en morgen. Dat is net liefde. En, zo leert ons het boek Genesis, wij zijn geschapen naar beeld en gelijkenis van God. Met andere woorden, ook wij zijn geschapen om lief te hebben.


Delen

Reacties

Meest gelezen

Drie tips om katholiek te blijven in tijden van misbruikcrisis

Theresia van Lisieux legt uit waarom ze onmogelijk angst kan hebben voor God

Het beste medicijn tegen hoogmoed