Jacques Lusseyran (1): lichtbron

Jacques Lusseyran werd geboren 1924 in Parijs. Amper 8 jaar oud wordt hij, door een ongeval, blind. Snel ontdekt hij een nieuwe bron van licht. Het laat hem toe om  op een andere manier te kijken naar de werkelijkheid. Dieper en scherper dan voorheen. Tijdens de oorlog ging hij in het verzet en kwam aan het hoofd te staan van een netwerk van meer dan 600 mensen. Hij kwam in Buchenwald terecht en overleefde. In zijn autobiografie “ Et la lumière fut » (Editions du Félin, 2005) doet hij zijn verhaal. Aangrijpend door de levensdrang en de authentieke  menselijkheid. Ook door de spiritualiteit waarvan het getuigt. Ik deel graag enkele uittreksels met u waarin deze uitzonderlijk begenadigde man vertelt hij hoe kijkt naar het leven en de mensen (de vertaling is van mijn hand). In 2007 werd een Nederlandse vertaling gepubliceerd (Het teruggevonden licht) bij uitgeverij Christofoor.

"Met de jaren is eigenlijke lichtbron nog sterker geworden. Op 8-jarige leeftijd gaf deze ontdekking me zelfvertrouwen. Ik werd opnieuw geboren. Omdat ik niet zelf aan de oorsprong lag van dat licht, omdat het van elders kwam, zou het me nooit meer in de steek laten. Het licht kwam binnen in mij. En ik was niet meer dan een doorgang, een voorhof voor deze helderheid die in mij zag. …
Nochtans gebeurde het dat het licht zwakker werd, zozeer dat het bijna verdween. Dit was het geval telkens als ik bang was. Indien ik me niet liet leiden door het vertrouwen en me niet dwars door de dingen heen wierp, als ik aarzelde, berekende.  … De colère en het ongeduld hadden dezelfde uitwerking: ze maakten dat het hele landschap ondoorzichtig werd.  … Het meest indrukwekkend was de uitwerking van de slechtheid. Ik kon het me niet permitteren van jaloers of vijandig te zijn. Want dan werd er meteen een blinddoek op mijn ogen gelegd. …
Als ik daarentegen gelukkig en rustig was, als ik de mensen met vertrouwen kon bejegenen, als ik het goede over hen dacht, dan werd ik vergoed met licht."

Avec les années la source originelle de lumière s’est encore renforcée. A huit ans je sortais de cette expérience rassuré. Je renaissais à la vie. Puisque ce n’était pas moi qui faisais la lumière, puisqu’elle me venait d’ailleurs, elle ne me quitterait plus jamais. Cela éclairait en moi. Et moi je n’étais qu’un lieu de passage, un vestibule pour cette clarté. Cela voyait en moi. … Pourtant il y avait des cas où la lumière diminuait, au point presque de disparaître. Cela se produisait par exemple chaque fois que j’avais peur. Si au lieu de me laisser porter par la confiance et de me jeter à travers les choses, j’hésitais, je calculais. … La colère et l’impatience avaient les mêmes effets : elles brouillaient tout le paysage. … Là où le plus extraordinaire arrivait, c’était avec la méchanceté. Je ne pouvais même plus me permettre d’être jaloux ou hostile, parce qu’aussitôt un bandeau était posé sur mes yeux.  … Au contraire, quand j’étais heureux et tranquille, quand j’allais vers les gens avec confiance, quand je pensais du bien d’eux, j’étais payé en lumière.

Reacties