Jacques Lusseyran (5) : vreugde in Buchenwald

Jacques Lusseyran werd geboren 1924 in Parijs. Amper 8 jaar oud werd hij, door een ongeval, blind. Snel ontdekt hij een nieuwe bron van licht. Het laat hem toe om  op een andere manier te kijken naar de werkelijkheid. Dieper en scherper dan voorheen. Tijdens de oorlog ging hij in het verzet en kwam aan het hoofd te staan van een netwerk van meer dan 600 mensen. Hij kwam in Buchenwald terecht en overleefde. In zijn autobiografie “ Et la lumière fut » (Editions du Félin, 2005) doet hij zijn verhaal. Aangrijpend door de levensdrang en de authentieke  menselijkheid. Ook door de spiritualiteit waarvan het getuigt. Ik deel graag enkele uittreksels met u waarin deze uitzonderlijk begenadigde man vertelt hij hoe kijkt naar het leven en de mensen (de vertaling is van mijn hand). In 2007 werd een Nederlandse vertaling gepubliceerd (Het teruggevonden licht) bij uitgeverij Christofoor.


In Buchenwald hadden we er die rijk waren. Maar het was aartsmoeilijk om ze in de massa op het spoor te komen … Ik dacht maar aan één iets: ze herkennen. … De rijken waren diegenen die op de een of de andere manier niet aan zichzelf dachten, of die er maar uitzonderlijk aan dachten, gedurende een of twee minuten, in geval van hoogdringendheid. …
 Dat was het wat je nodig had om te leven in het kamp: deelnemen. Niet enkel maar voor je eigen rekening leven . … Je blik verruimen. In aanraking komen met wat verder gaat dan jezelf. Ongeacht op welke wijze: door gebed als je weet hoe te bidden, door de warmte van een ander mens die zich aan jou aanbiedt of door de warmte die hij hem geeft, of gewoon door niet langer hebzuchtig te zijn.
… Deelnemen, op welke wijze dan ook. Maar het doen! Het was voorzeker moeilijk: de meeste mensen kwamen er niet toe. Ik kan niet zeggen hoe het komt dat de vreugde mij nooit helemaal ontnomen is geworden. Het was gewoon zo: ze had me goed in haar greep. Op de meest ongelooflijke plaatsen wachtte ze me op: bijvoorbeeld in het dieptepunt van de angst. En de angst verliet me, zoals de etter uit een zweer die openbreekt.

Nous avions nos riches à Buchenwald. Mais c’était le diable pour les trouver dans la masse … Je n’avais qu’une idée : les reconnaître. … Les riches c’étaient ceux qui, d’une façon ou d’une autre, ne pensaient pas à eux-mêmes, ou bien alors y pensaient rarement, pendant une minute ou deux, en cas d’urgence. … C’était cela qu’il fallait pour vivre au camp : participer. Ne pas vivre pour son compte seulement. … S’étendre au-delà. Toucher quelque chose qui nous dépasse. N’importe comment : par la prière si on sait prier, par la chaleur d’un autre homme qui se communique à la vôtre et par la vôtre que vous lui donnez, ou tout simplement en cessant d’être avide. … Participer n’importe comment. Mais le faire ! C’était sûrement difficile : la plupart des hommes n’y arrivaient pas. Pourquoi la joie ne m’était jamais complètement retirée à moi, je suis incapable de le dire. C’était un fait : elle me tenait bien. Je la trouvais même m’attendant à des carrefours incroyables : au fond de la peur par exemple. Et la peur s’en allait de moi, comme le pus d’un abcès qui perce.

Reacties

Klaartje zei…
Ik vind het echt een boeiende mini-reeks, Nikolaas, ik heb me bijgevolg het boek aangeschaft. Bedankt!
Anoniem zei…
Ook voor mij is een exemplaar van het boek in bestelling. Ik kijk ernaar.
Anoniem zei…
Het lezen van Jacques Lusseyran heeft mij enorm geholpen in een periode, dat ik afstand moest doen van het meest dierbare in mijn leven. Alexander