Dromen over dansende maar laffe duiveltjes


Met een groepje studenten lezen we dit academiejaar de autobiografie van Theresia van Lisieux. Graag deel ik af en toe met u citaten uit dit meesterwerk.

Theresia herinnert zich een droom van toen ze 4 jaar oud was, en duidt hem 20 jaar later.

Op een nacht droomde ik dat ik naar buiten ging om alleen in de tuin te gaan wandelen.

Toen ik onderaan de treden gekomen was die je op moest gaan om in de tuin te komen, stond ik plotseling als aan de grond genageld van schrik. Voor mij, vlakbij het prieeltje, bevond zich een ton met kalk en op die ton dansten twee afgrijselijke duiveltje en wel met een verrassend grote lenigheid ondanks de strijkijzers die ze aan hun voeten hadden.

Plotseling richtten ze hun vlammende ogen op mij en op hetzelfde moment – ze leken meer geschrokken te zijn dan ik – sprongen ze van de ton af en gingen zich verstoppen in de linnenkamer die daar tegenover is. Toen ik zag hoe laf ze waren, wilde ik wel eens weten wat ze daar gingen doen en ik ging dichter bij het raam staan. Die arme duiveltjes renen daar over de tafels en wisten niet hoe ze zich aan min blik konden onttrekken. Af en toe kwamen ze dichter bij het raam en keken ongerust om zich heen of ik er nog steeds was. Als ze me dan nog steeds zagen, begonnen ze weer als wanhopigen rond te rennen.

Waarschijnlijk is deze droom niet zo bijzonder, maar toch geloof ik dat de goede God gewild heeft dat ik me die droom zou herinneren. Hij wilde me zo laten zien dat een ziel, die in stat van genade is, niets van de duivel te vrezen heeft. Hij is immers zo laf, dat hij zelfs voor de blik van een kind op de vlucht slaat.

Reacties