Een goede sigaar kan helpen (3/3)




De meeste jezuïeten lopen niet te koop met hun innerlijk. Ze zijn  eerder terughoudend tav hun religieuze ervaringen. Geestelijke dagboeken van jezuïeten zijn er weinig te vinden in onze archieven, maar soms blijken er ineens vonken onder de as van het verleden aanwezig. Hieronder kan u het getuigenis lezen van een Nederlandse jezuïet uit de vorige eeuw.

Daarna bleef ik nog geruime tijd zitten. Mijn sigaartje was uitgegaan, en ik stak het na een tijdje weer op. Ik rookte rustig verder, en heb ook veel gebeden; wat precies weet ik niet meer. Ik herinner me nog, dat ik dacht hoe veilig ik bij Hem was voorgoed. En steeds maar weer: “Dit is vriendschap”. En ook hoe er geen zinnelijkheid bij in het spel was. [...] En duidelijk was ook dit: Dit gaat boven ons toedoen uit, en je moet er niet zelf om vragen, voor jezelf niet. Onverdiend. Toen ben ik stil naar bed gegaan. En sliep spoedig. Ik zie dit als een grote gebeurtenis. Vandaag - 8 januari - is er geen twijfel over wat ik gisteravond ondervond. Begoocheling is uitgesloten. Ik las alle regels over de onderscheiding der geesten. Wat een meesterschap van Ignatius! En wat moet hij hebben meegemaakt! Ook in deze regels is niets wat mij in twijfel brengt.’

Met dank aan Paul Begheyn sj

Reacties

Anoniem zei…
Ik had jaren geleden ook een soort droom of beeld of hoe je het noemen moet. Ik beschrijf het hierna.

God wandelde buiten met mij door de hemel. ik was een kind van ongeveer anderhalf jaar of iets ouder, met nog overal baby-vetkussentjes.
Ik zat op Gods linkerarm en ik draaide alle kanten op om alles te kunnen zien. Ondertussen was ik met mijn vinger van alles aan het aanwijzen, en bij alles wat ik aanwees zei ik: 'watstat? watstat?' (wat is dat)
God had er duidelijk plezier in, en hij probeerde me bij te houden met te vertellen wat alles was. Als ik een bloem aanwees, en ik zei – watstat - dan zei hij niet alleen maar 'bloem', maar dan liet hij zien wat het wezen van de bloem was. Hij liet zien wat het eigene van de bloem was, dat juist deze bloem speciaal rood van kleur was, en dat de lengte van de stengel wezenlijk was voor deze bloem. Hij liet ook zien hoe het plekje van deze bloem was ten opzichte van de andere bloemen en planten. Ik liet hem amper uitpraten, want dan had ik allang weer iets nieuws gezien, waarvan ik zei: watstat. Het was een plezier om hiernaar te kijken, naar het enthousiasme van het kind, het nieuwsgierige, het totale vertrouwen. en het plezier van God om alles te vertellen, om het door te geven, en zoals hij genoot van het kind.
Terwijl ik daarnaar keek zei God: 'En toen was de tijd aangebroken voor jou om naar de aarde te gaan. Mijn hart brak omdat ik wist dat je het niet gemakkelijk zou krijgen. Maar ik hoopte zo dat je je zou herinneren.'

Al die laatste zinnen zeiden mij zoveel. Toen God zei: 'De tijd was aangebroken voor jou om naar de aarde te gaan', toen begreep ik dat er inderdaad voor God niks aan te doen was. Het ging niet om mij, het ging om het geheel, en de plek die ik daarin innam was op dat moment, op die tijd. De tijd was rijp voor mij om naar de aarde te gaan. Het was gek om te kunnen zien dat het inderdaad niet anders kon dan dat ik op dat moment naar de aarde ging. Ik kan er nauwelijks woorden aan geven. Het was volkomen helder dat het zo was.
Toen God zei: 'Mijn hart brak', toen was ik stomverbaasd en ontroerd. Vond je het dan akelig voor mij dat ik het moeilijk ging krijgen? O ja? Was je verdrietig om mij? Het raakte mij zo, dat God dit zei. Het raakte mij ook zo dat Gods hart kan breken voor iets, voor iemand. Dat God ook verdrietig kan zijn van wat er gebeurt.
Toen God zei: 'Ik hoopte zo dat je je zou herinneren', toen dacht ik – ja, zo is het inderdaad gegaan. Ik ging naar de aarde, en ik vroeg op mijn onbevangen eigen manier: watstat, watstat. Maar ik kreeg er zulke rare antwoorden, er klopte niks van. Er werd mij helemaal bijna niks meer verteld over het wezen van de dingen, zoals ik dat gewend was bij God. Toen ik eindelijk na vijf en twintig jaar of zo van mensen de wezenlijke antwoorden hoorde, toen sprong mijn hart op, en ik sprong een gat in de lucht; ik herinnerde mij.
Ineens begreep ik hoe logisch het was dat ik helemaal niet heb kunnen aarden in mijn dorp. Ik herkende in mijn huis en dorp zo verschrikkelijk weinig van hoe het bij God geweest was. Alles was vreemd. Ineens begreep ik ook mijn enorme verlangen om terug te zijn bij God.

Ik heb later nog wel eens gelezen dat veel mensen met een ‘hechtingsprobleem’ het gevoel hebben dat ze niet werkelijk van de aarde zijn, dat ze eigenlijk bij een andere wereld horen. Er is dus een psychologische verklaring.
Maar die heeft me nooit zo geraakt als dit beeld.

Het beeld reist met me mee. Het ontroert me elke keer weer. Elke keer ben ik blij als er iets is wat me helpt om te 'herinneren'. Bijvoorbeeld als ik lees wat die man meemaakte toen hij gewoon even ging zitten met zijn sigaartje. "Ja!', roept mijn hart dan, 'dat is God! Die ken ik! Zó doet Hij!'
Ik hoop dat deze blog nog een poos blijft bestaan.
Maria