Over een onuitstaanbare, heilige zuster



Met een groepje studenten lezen we dit academiejaar de autobiografie van Theresia van Lisieux. Graag deel ik af en toe met u citaten uit dit meesterwerk. In het tweede deel van haar autobiografie mijmert Theresia over wat naastenliefde concreet is.

Er is een zuster in de communiteit die het talent bezit me in alles tegen te staan. …. en toch is het een heilige zuster … Ik wilde niet toegeven aan de natuurlijke antipathie die ik voor haar voelde en zei tegen mezelf dat de liefde voor de naaste niet uit woorden moet bestaan maar uit daden. Ik ben me er op toe gaan leggen voor deze zuster te doen wat ik gedaan zou hebben voor degene waar ik het meest van houd. Ieder keer als ik haar tegenkwam, bad ik voor haar tot de goede God en bood Hem al haar deugden en verdiensten aan. Ik voelde wel dat Jezus dat plezier deed. Er is geen enkele kunstenaar die niet graag lofuitingen over zijn werken hoort. Jezus, de Kunstenaar van de zielen, is gelukkig als men niet stil blijft staan bij uiterlijkheden, maar het innerlijke heiligdom binnengaat dat Hij als verblijf gekozen heeft, en daar de schoonheid van bewondert.

Ik vond dat het niet genoeg was veel te bidden voor de zuster die voor zoveel strijd in mij zorgde. Ik probeerde haar alle mogelijke diensten te bewijzen. Als ik ertoe bekoord werd haar onaardig te antwoorden, dan nam ik er genoegen mee haar mijn allerliefste glimlacht te geven en dan probeerde ik het gesprek een andere wending te geven. …

Wanneer ik niet in de recreatie was (ik bedoel tijdens de werktijd) had ik voor mijn werk wel eens met deze zuster te maken. Als mijn strijd te hevig werd, sloeg ik vaak als een deserteur op de vlucht. Ze wist absoluut niet wat ik echt voor haar voelde en heeft dus nooit kunnen vermoeden waarom ik zo tegen haar deed. Ze bleef ervan overtuigd dat haar karakter mij aangenaam was. Op een dag zei ze tijdens de recreatie met een blij gezicht het volgende: “Kun je me zeggen, zuster Thérèse van het Kind Jezus, wat je zo in mij aantrekt. Iedere keer als je naar me kijkt zie ik je glimlachen! Wat me in haar aantrok, was Jezus, die diep in haar ziel verborgen was. Jezus die het allerbitterste nog zoet maakt. Ik antwoordde haar dat ik glimlachte omdat ik blij was haar te zien (natuurlijk zei ik er niet bij dat ik dat in geestelijke zin bedoelde).

Reacties

Bekkeneel zei…
Dit is een belangrijke, je merkt in de viering dat je tegen bepaalde mensen die je totaal niet kent iets ondefiniëerbaars hebt en dat je vredeswens minder warm en authentiek is dan bij anderen of bv. zonder oogcontact. Of ook dat je bij diegene juist niet in de buurt wilt gaan zitten om te vermijden dat je die persoon de vredeswens moet geven. Het is inderdaad van belang te bidden juist voor mensen die je niet zo liggen of van wie je intuïtief een bepaalde afkeer hebt. Daarmee kun je dat negatieve bij jezelf kapot maken want het komt uiteraard niet van de goede geest. Ook al zou je afkeer gebaseerd zijn op iets dat inderdaad niet klopt aan zo iemand, dan nog is dat mijn zaak niet en heb ik mezelf altijd als de minste te beschouwen en alleen naar mijn eigen balk te kijken. Als je jezelf zo overwint merk je vaak dat die negativiteit ongegrond was, hetgeen een bewijs is voor de genoemde oorsprong ervan: de boze geest. Ik snap wel dat Theresia kerklerares is ja. Ze gaat tot op het bot en nog dieper.