Hoe vermijden dat duistere machten vrij spel krijgen?


Aan www.startdestilte.be werd onlangs volgende pertinente vraag gesteld over wat er gebeurt als je het stil maakt en gaat bidden: “Krijgen duistere machten geen vrij spel als ik stilval? Samen met Sim D’Hertefelt gaven we onderstaand antwoord.

Een interessante vertrekpunt is de volgende evangelietekst. Die geeft een aanzet voor een christelijk antwoord op de vraag. Andere tradities geven misschien een ander antwoord.

Wanneer een onreine geest iemand verlaat, trekt hij door dorre oorden op zoek naar een rustplaats. Maar als hij die niet vindt, zegt hij: “Ik zal terugkeren naar mijn huis, dat ik verlaten heb.” En wanneer hij terugkeert, merkt hij dat het schoongemaakt is en op orde gebracht. Dan gaat hij weg en haalt er zeven andere demonen bij, slechter dan hijzelf, en ze nemen daar blijvend hun intrek. En zo is de mens bij wie de demon intrekt er ten slotte veel slechter aan toe dan voorheen. (Lc 11, 24-26)

Het volstaat niet om tot stilte te komen, om je te zuiveren van alles wat stilte in de weg staat. Als je je bevrijd hebt van alle afleiding, dan ben je ook heel kwetsbaar. Het schone huis is een aantrekkelijke verblijfplaats voor vele demonen. Je kan daarbij ook denken aan Jezus die na 40 dagen van gebed en vasten in de woestijn aangevallen wordt door de duivel (Lc 4).

Christenen gaan de stilte niet in omwille van de stilte of omwille van de rust die daarvan uitgaat. Maar wel om er de Heer van hun leven te ontmoeten en om toe te laten dat Hij in die stilte komt wonen. Geef je in de stilte vrij spel aan God die alle duisternis overwint, dan is er voor boze geesten geen plaats.

Reacties

Leontien zei…
soms komt duisternis in momenten dat er juist geen stilte is, je te druk bent met onnozelheden, je te weinig tijd voor God neemt. Bezet, bezeten ... Levenskunst is om dat te herkennen en je onmiddellijk weer tot Hem te richten, je liefde voor Hem uiten, durven Zijn liefde toe te laten.
Anoniem zei…
In de beginperiode van mijn geloven in JC, -of was het toen ik nog helemaal niet geloofde, maar Hem (of Hij mij) nog zocht?- heb ik geëxperimenteerd met denken aan niets. Dus letterlijk. Zinnen uit, ogen dicht, oren ook, met ohropax, de rest stelt niet veel voor, althans daarvoor hoef je geen bijzondere maatregelen te nemen: smaak, tastzin en reuk. En dan ook de geest leeg, alleen het woord niets toelaten als zich iets dreigt aan te dienen. Ik herinner me nog scherp dat ik op zeker moment derealiseerde en volslagen in paniek raakte. De sterke angst was niet direct verdwenen, er was enige tijd nodig. Later zei ik tegen mezelf: dit dus nooit meer doen, deze deur beslist dicht laten. Achteraf denk ik dat ik de putdeksel weggeschoven had of daarmee bezig wilde zijn, uit nieuwsgierigheid en uit onwetendheid, de putdeksel naar het afgrondelijk niets. En ik ontdekte dat niets substantiëel en verschrikkelijk is. M.i. is het eenvoudig zo dat je maar lief moet hebben, dan blijven de boze geesten weg als aasgieren die geen lijklucht waarnemen of geen cadaver zien. Ze hebben totaal niets te zoeken waar de liefde is, jegens God en/of de naaste. Dus de stilte zij altijd stilte zingende van liefde. Stil als de zomerlucht en evenvol liefde. En dat niets? Misschien dat ik mede door die ervaring zo zeker ben van het bestaan van de hel. Hoe zwak en wankelmoedig ik ook ben, Jezus volgen wil en zal ik tot mijn laatste snik.