"En wij allemaal bloeden": waar of niet waar?


Graag deel ik met u mijn preek voor de 4de zondag van de Advent.

2 Sam 7,1-5.8b-11.16         Rom 16,25-27         Lc 1,26-38

Een van mijn neefjes kon als kind heel overtuigend vertellen. Hij kon ook goed overdrijven. Zo kwam hij ooit thuis van de sportclub en vertelde dat er in de kleedkamer een glas op de grond was gevallen.  De scherven waren overal rond gevlogen. En wij allemaal bloeden!, voegde hij er dramatisch aan toe. Hij leek het te geloven. Wij niet. “Je overdrijft weer”.

In het historisch bijbels onderzoek wordt soms een omgekeerd principe gehanteerd. In sommige gevallen wordt de extreme onwaarschijnlijkheid van bepaalde historische feiten net gehanteerd als een criterium van waarschijnlijkheid. Als een feit dat vermeld wordt historisch dermate ondenkbaar lijkt dat een zinnig mens het niet zou hebben kunnen verzinnen, dan zou het wel eens waar kunnen zijn. Het meest bekende voorbeeld hiervan is uiteraard de verrijzenis van Jezus. Preciezer nog, het geleidelijk groeiend geloof dat mensen zouden gaan geloven dat een man wiens leven objectief op een dramatische mislukking was uitgelopen uiteindelijk Gods Zoon blijkt te zijn. Hoe kan je, in  godshemelsnaam, zoiets verzinnen? Daar moet, anders gezegd, blijkbaar toch wel iets heel bijzonder gebeurd zijn dat die ommeslag heeft teweeggebracht. De schijnbare absurditeit van het historisch gegeven maakt het, paradoxaal genoeg, geloofwaardiger.

In de lezingen van deze vierde adventszondag vinden we iets gelijkaardigs. Het tweede boek Samuel vertelt het leven van David, de tweede koning van Israël. Een gewone herdersjongen, geboren zo’n 1000 jaar voor de geboorte van Jezus.  Hij wordt een van de grootste koningen van Israël. Onder zijn koningschap kent Israël voorspoed en vrede. David is er zich van bewust dat de ware gever van al die goede dingen God zelf is.  Hij voelt zich dankbaar en wil iets terugdoen voor God. David woont in een schitterend cederhouten paleis. De Ark van het Verbond echter, het equivalent van het huis van God, de plaats waar de stenen tafels van de Wet worden bewaard, is niet meer dan een tent. David wil daarom voor God een huis te bouwen, een mooie tempel.

God antwoordt door de mond van de profeet Natan: Hij noemt 10 gunsten die Hij David en het Joodse volk heeft gedaan. De ene nog groter dan de andere. Tijd voor een wederdienst, zou je denken. Gods verrassende conclusie is anders: niet jij moet voor Mij een huis bouwen, Ík zal voor jou een huis bouwen. Ik heb je reeds alles gegeven. Ik ga je nu nóg meer geven. Gods maatstaven zijn niet die van de mens. Ik vind het bijna schokkend, buitensporig, letterlijk ondenkbaar. Waarschijnlijk is het net daarom dat de onthutsende ervaring van de Gods liefde zo onwisbaar gegrift is in het geheugen van Israël.

De evangelielezing van deze vierde zondag van de Advent doet er nog een schep bovenop. We wisten reeds dat God ons het leven geeft.  Niet eenmalig. Maar voortdurend. Dat Hij ons schept naar zijn beeld en gelijkenis. Dat het verbond tussen God en zijn mensen steeds weer bevestigd wordt, door God zelf. Terwijl intussen het antwoord van de mens vaak verraad is en lauwheid. Wat Lucas ons echter vandaag vertelt tart alle verbeelding. God biedt aan om mens te worden. Hij die alles is en kan, kondigt aan dat Hij een babytje zal worden. God  wil zichzelf helemaal aan ons toevertrouwen. Uit liefde. Geen mens kan zoiets bedenken.

Beste broeders en zusters, die liefde is niet enkel gericht tot David en Maria. God houdt van elk van ons. Oneindig veel meer dan wij vermoeden. Ook ánders dan wij verwachten of hopen. De advent biedt ons elk jaar opnieuw vier weken om deze onwaarschijnlijke openbaring binnen te laten sijpelen.


Doen we dit? Durven we dit? Geloven we dat dit geen overdrijving is? Wel goddelijke én menselijke werkelijkheid.

Reacties

Anoniem zei…
Iedereen, de ene meer dan de andere, heeft zaken beleefd waarvan wij geloven dat die echt zijn omdat, zoals de Fransen zeggen, " cela ne s'invente pas". De Bijbel verhaalt en verhalen zijn niet gespeend van stijl (en hier dan nog een stijl en kader van vele eeuwen geleden) maar iedereen heeft wel gebloed. (NB. Ik waag het bvb te zeggen, maar misschien ben ik mis, dat het eeuwig (voortdurende) leven, ons beeld naar zijn beeld, voor mij onze denkkracht is. Wij delen in de denkkracht van God en die levendige denkkracht dragen wij eeuwig mee). Guy