Geloven als er een tornado langskomt


Hieronder vind je mijn homilie voor deze zondag


NEGENTIENDE ZONDAG DOOR HET JAAR (A)

1 Koningen 19,9a.11-13a. Psalmen 85(84) Rom 9,1-5.     Matteüs 14,22-33

In vijf seconden tijd brak de hel los. Plots werd het pikdonker. Mensen schreeuwden van angst.  Tenten vlogen door de lucht. Hevige regen deed ons bibberen van de kou. De rustige kampeerweide in dat heerlijke valleitje veranderde in een horrorspektakel.  Al bij al duurde het maar enkele minuten. Het was valavond. Na een lange dag van stappen in een snikheet Spaans Baskenland waren we met 500 pelgrims rustig aan het eten. De plotse mini-orkaan had de overnachtingsplaats omgetoverd in een slagveld waar wenende jongeren in het slijk op zoeken gingen naar hun bagage.

Een uur later verhuisden we met z’n allen naar een abdij in de buurt, die als noodoplossing geboekt was. Weliswaar met flinke vertraging kon het avondprogramma toch nog plaats vinden. ’s Anderdaags trokken we, vroeg in de morgen, weer op stap, richting Javier, de geboorteplaats van Franciscus Xaverius. De organisatoren hadden bewezen dat ze van geen kleintje vervaard waren. Niets kon ons nog deren.

Als ik nu, 25 jaar later, tochtgenoten van toen ontmoet, halen we meteen herinneringen op aan wat we nu beschouwen als het hoogtepunt van die 2 weken durende staptocht. Een combinatie van paniek en vertrouwen, van chaos en rust, van verbondenheid die uiteindelijk sterker bleek dan angst. Misschien herken je dit wel, op de een of andere manier.

Een soortgelijke ervaring verhaalt Matteüs ons in de evangelielezing van vandaag.  Maar dan met de leerlingen van Jezus - Petrus in het bijzonder. Alles zit tegen. Er is onweer met tegenwind en hun grote held, Jezus, is er niet. Die stoere vissers voelen zich in de steek gelaten. Dan zijn we getuige van een totaal onwaarschijnlijk verhaal. Laten we even in detail bekijken wat er gebeurt, in het bijzonder tussen Jezus en Petrus.

Het is Jezus die de leerlingen vraagt het meer over te varen. Hij is het ook die beslist zijn vrienden te hulp te komen, als ze even later in nood verkeren. Geen moeite is Hem teveel. Hij stapt over het water naar hen toe. De leerlingen herkennen Hem echter niet. Ze zijn verblind door hun angst. Opnieuw neemt Jezus het voortouw. Hij spreekt hen uitdrukkelijk aan: Weest gerust, Ik ben het. Vreest niet.

Petrus herkent Jezus als eerste. Zij het met iets van twijfel. Meteen stelt Petrus een heel bijzondere vraag aan Jezus. Of hij naar Hem mag lopen over het water? De tekst geeft geen enkele objectieve reden waarom Petrus zoiets gek zou vragen. Blijkbaar wil Petrus niet alleen zo snel mogelijk bij zijn Heer zijn. Hij wil ook precies doen zoals Hij. Jezus gaat in op dat verlangen van Petrus en nodigt hem uitdrukkelijk uit naar Hem toe te komen. Concreet betekent dit wel dat Petrus de boot moet achterlaten,  de enige zekerheid die hem rest. Het lopen over het water lukt. Althans in het begin. Want algauw begint Petrus te twijfelen en dus te zinken. Zijn angst belet Hem echter niet om nog steeds zijn hoop te stellen in  Jezus. Hij vraagt Hem uitdrukkelijk om hulp. Meteen reikt Jezus zijn vriend de hand. Beiden kunnen de veilige boot weer in en de storm gaat liggen.

Wat een ongelofelijke veelheid aan actie in die enkele verzen.

Er zitten drie rode draden geweven doorheen dit subtiele verhaal.

1.     Het initiatief komst steeds van Jezus. Hij gaat naar zijn vrienden toe, Hij reikt de hand.
2.      De verdienste van Petrus is dat hij die uitgestrekte hand aanneemt en zich aan Jezus toevertrouwt. Zowel zijn angsten als zijn verlangens. Met vallen en opstaan. Uiteraard. Feit blijft dat hij telkens opnieuw zijn vertrouwen geeft aan de Heer.
3.     Doordat Petrus zich niet laat overmannen door zijn angst en zich letterlijk in Jezus’ armen werpt wordt het onmogelijke mogelijk. Wat een nachtmerrie was wordt een verhaal van verbazende persoonlijke groei in geloof.

Deze drie roden draden stellen ons meteen ook drie vragen.

1.     Geloof ik in Jezus als in iemand die zélf naar mij toekomt; ook als ik Hem niet verwacht en alle hoop al heb opgegeven?
2.     Ben ik bereid, zoals Petrus, me écht aan de Heer toe te vertrouwen? Als de zon schijnt, maar ook als er een tornado opsteekt?
3.     Durf ik de geloofsstrijd aan, tot het einde toe? Ook als het spannend wordt, als ik geconfronteerd word met kleinheid, weerstand en beperktheid? Bij anderen en vooral bij mezelf?

Petrus is onze voorganger in het geloof. Paus Franciscus is zijn opvolger. Het voorbeeld van Petrus en zijn opvolgers is voor ons vandaag een betrouwbaar pad om dichter bij God te komen. Samen met Jezus.

Reacties

Dank u wel Pater Nicolaas.
Straks ga ik naar de Virga Jesse ommegang waar vele mensen bereid gevonden werden om door hun deelname te getuigen van hun geloof.
Niemand zal onberoerd uit Hasselt vandaan gaan indien zij durven geloven dat het Jezus zelf is die naar hen toekomt.