Over een bruiloft zonder gasten


Hieronder kan je de homilie lezen die ik maakte voor de vieringen van dit WE in de "Krijtberg"

Achtentwintigste zondag door het jaar
Jesaja 25,6-1Oa                              Filippenzen 4,12-14.19-20                       Matteüs 22,1-14 of 22,1-10
  
Sommige mensen houden er bijzondere gewoontes op na. Ze zijn specialist om zichzelf op recepties en feesten zonder uitnodiging binnen te smokkelen.  Ze horen er helemaal niet thuis. Dat belet hen niet om lekker te eten en te drinken, op kosten van hun onbekende gastheer of gastvrouw. Anderen hebben een voorkeur voor heel selecte feestjes; in het bijzonder van staatshoofden of andere beroemdheden. Ze zorgen er dan voor dat ze op de foto komen met die BN’ers of andere sterren. Sommigen gaan zover dat ze er een heuse collectie van maken en dat ze die foto’s doorspelen aan de pers.

De vergelijking die Jezus ons vandaag aanbiedt gaat over zo’n feest in hoge kringen. Er is een koning die uitnodigt voor de bruiloft van zijn zoon. Het verloop van het feest is onverwacht. Zowel de houding van de koning als die van de oorspronkelijke gasten roepen heel wat vragen op.  Waarom vertikt die eerste groep gasten het om naar de bruiloft te gaan? Ze moeten toch beseffen dat het een heel bijzonder, een koninklijk feest zal zijn. En wat te denken van het feit dat uiteindelijk de koning zo ongeveer iedereen gaat uitnodigen, “slechten zowel als goeden”?

We weten het, het Evangelie van Jezus strijkt tegen de haren in. Ook tegen onze haren. Inderdaad, achter de weigering van de eerste groep gaat een confronterende boodschap schuil die ook tot ons gericht is. Immers, zijn wij wel zo verschillend van die eerste serie genodigden?

Ik heb het niet over de theorie. Wel over de praktijk. Het deelnemen aan de bruiloft waartoe God uitnodigt gaat over het daadwerkelijk leven in verbondenheid met Hem. De eerste groep genodigden zijn diegenen die volgens de traditionele criteria het makkelijkst toegang zouden moeten hebben tot die nabijheid met God. Welnu, daar maken wij, mensen die hier eucharistie vieren, toch deel van uit. 

Eigenlijk stelt Jezus ons in deze parabel de vraag of wij wel echt verlangen zijn eucharistie te vieren. Of wat wij dag in dag uit wel en niet doen niet soms doet vermoeden dat wij eigenlijk andere prioriteiten hebben. Hoe godsverbonden leven wij? Nemen wij tijd voor gebed?  Hoe beleven wij het gebod van de naastenliefde, in onze omgeving,  op ons werk, naar armen toe…? Hoe gaan wij om met de evangelische raden van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid?  

Kan het zijn dat wij ons soms gedragen als de heilige Augustinus die op een bepaald ogenblik schreef: “Heer, geef mij de genade van de zuiverheid, maar nu nog niet!.” Kan het zijn dat we nogal eens uitstelgedrag vertonen en zo onze kostbare en schaarse levenstijd eigenlijk verkwisten?

Zo ja, beseffen wij wat daar de gevolgen van zijn? Het betekent immers, noch min noch meer, dat wij  de allergrootste vreugde, die van het evangelisch leven, in zijn onzegbare rijkdom en schoonheid, aan ons voorbij laten gaan. Dat wij ons tevreden stellen met een lauwe hamburger en een beker cola light van bij Mac Donald, eerder dan te genieten van belegen wijnen en van die allerbeste spijzen waar Jesaja het over heeft,.

Moeten wij nu schrik gaan krijgen? Spreekt deze parabel ons over een jaloerse en straffende God? Integendeel. De parabel leert ons dat er een nieuwe kans wordt geboden. En waarom niet, ook een derde en een vierde. Aan de goeden, maar ook aan de slechten. Aan iedereen dus. Ook aan wie er, om welke reden dan ook, niet voor in aanmerking lijkt te komen. Dat is het Koninkrijk dat Jezus ons aankondigt.  Dat is het feest waarop Hij elk van ons uitnodigt, steeds weer, steeds weer.

Nikolaas Sintobin sj

Reacties

Meest gelezen

Leg mijn tranen in uw fles