Geloven als sprong in het ongewisse


Geloven, wat is dat eigenlijk? Aan de hand van de 3 paradoxen probeert Nikolaas Sintobin sj daar in deze serie van 7 posts iets over uit te leggen (2/7)

Paradox nr 1 (b)  : Geloven is even evident als horen en zien  ---  Geloof in God lijkt voorbehouden voor een kleine groep

b)      Het eisende christelijke geloven

Dat basale, evidente geloven is dus eigen aan ons menszijn. Maar het gaat hier uiteraard over de benedengrens van het geloven als typische mensenhouding.  Het christelijke geloof in Jezus Christus situeert zich duidelijk aan de bovengrens. Maar ten gronde gaat het hier ook in de eerste plaats over datzelfde gemeenschappelijke geloven, zij het in een heel radicale vorm. Want bij het geloof in Jezus Christus word je uitgenodigd  om je hele hebben en zijn, de zin en het doel van je leven toe te vertrouwen aan iemand buiten jou, waar je helemaal geen pak op hebt, die je niet kan zien.

ð  Het kleine kind dat voor het eerst fietst ziet met zijn eigen ogen dat papa of mama naast hem staan. Als ik mij kwetsbaar opstel tegenover een vriend of een vriendin dan zie ik zijn of haar aanwezigheid, zijn blik, hoor ik zijn stem en heb ik de tastbare herinnering van zijn voorbije woorden en daden.

ð  Maar als ik, in geloof, probeer om mijn leven in handen te leggen van de levende Heer, dan is daar, hoe dan ook, een sprong in het ongewisse zonder dat daar een van te voren verifieerbare zekerheid bestaat dat iemand aan de andere kant mij zal opvangen.

Het is dus wel duidelijk dat benedengrens en bovengrens van het geloven behoorlijk ver uit mekaar liggen. Er is niet alleen een kwantitatief verschil. Er is ook een kwalitatief verschil tussen dat basisgeloof als menselijke houding en de religieus christelijke geloofssprong. Maar toch is er misschien meer continuïteit dan discontinuïteit tussen beide. Hoewel vandaag inderdaad contracultureel, is en blijft de christelijke geloofsdaad verankerd in die ruime antropologische basis van het  geloven als algemene menselijke houding.

Het christelijke geloven doet dus echt geen beroep op een soort van 6de zintuig dat enkel maar aan een religieuze elite of moeten we eerder zeggen aan een groepje naïevelingen is voorbehouden. De principiële openheid voor het “geloven” is aanwezig in elke mens.

Hoe anders trouwens begrijpen dat alle Evangelies eindigen met een oproep om dit christelijk geloof te gaan verkondigen aan alle mensen? Hoe begrijpen dat elkeen uitgenodigd wordt te “geloven” als de mogelijkheid/vermogen om te geloven slechts aan enkelen zou zijn gegeven.

Reacties

koos K. zei…
Interessant geschreven en leuk om te lezen. Bedankt daar voor.