Over een begin dat geen begin is en een einde dat geen einde is



Gisteren heb ik mijn jaarlijkse retraite beëindigd. 8 volle dagen in de stilte. Dagelijks 4 uur stille meditatie, eucharistie, een begeleidingsgesprek, maaltijden in stilte, wat wandelen, een (klein beetje) lezen …

Ik ben bepaald geen geboren “bidder”.  Als monnik zou ik niet deugen. Maar als ik jezuïet ben geworden, is het onder meer om zo’n ervaringen structureel een plaats te kunnen geven in mijn leven. Een hele week “Geestelijke Oefeningen” laat me toe om terug te keren tot de kern, het fundament van mijn leven: Jezus, de Christus. Eigenlijk kan ik gewoon niet zonder.

De medebroeder die me begeleidde gaf me bij het begin en aan het einde twee teksten van Ignatius van Loyola. De eerste is de openingstekst van de Geestelijke oefeningen van Ignatius. De tweede is een stukje uit de slotmeditatie van diezelfde Oefeningen. Twee bijzonder “heftige” teksten waar je niet op een uurtje mee klaar bent … Een begin en een einde die eigenlijk geen begin en geen einde zijn.

De mens is geschapen om God onze Heer te loven,
eerbied te bewijzen en te dienen  en aldus zijn ziel te redden.

Alle overige dingen op het aardoppervlak
zijn geschapen met het oog op de mens,
om hem het doel te helpen nastreven
waarvoor hij geschapen is.

Daaruit volgt dat de mens er gebruik van moet maken
voor zover ze hem helpen dat doel na te streven,
en dat hij ervan moet afzien
voor zover ze daarbij een hinder zijn.

Daarom is het nodig dat wij ons onverschillig maken
voor alles wat geschapen is,
in al wat aan de vrijheid van onze vrije wil wordt toegestaan
en niet verboden is.

Zozeer dat wij van onze kant
gezondheid niet méér verlangen dan ziekte,
rijkdom niet méér dan armoede,
eerbewijzen niet méér dan verguizing,
een lang leven niet méér dan een kort,
en zo in al het overige.

Het enige wat wij moeten verlangen en kiezen
is wat ons dichter brengt
bij het doel waarvoor wij geschapen zijn.




Neem, Heer, en aanvaard
heel mijn vrijheid,
mijn geheugen,
mijn verstand
en heel mijn wil,
alles wat ik heb en bezit.

U hebt het mij gegeven,
aan U, Heer, geef ik het terug.
Alles is van U,
beschik erover geheel volgens uw wil.

Geef dat ik U mag liefhebben,
die genade is mij genoeg.

Reacties

Anoniem zei…
tja ...