Het elfde uur

Homilie voor de 25ste zondag door het jaar
Jesaja 55,6-9;  Filippenzen 1,20c-24.27a; Matteüs 20,1-16a


Mijn jongste nichtje, Eugénie, is 7 jaar. Zij is de jongste in een gezin van 4 kinderen waarvan de oudste 12 jaar is. Eugénie is een schatje. Maar als aan tafel het vlees verdeeld wordt dan eist zij, desnoods luidkeels,  haar deel op. En dat deel moet net zo groot zijn als dat van haar oudere broers en zus.  Zoals alle kinderen heeft dat meisje een sterk rechtvaardigheidsgevoel dat wel aangeboren lijkt. Iedereen gelijk voor de wet. Dat is toch evident. Daar is geen discussie over.

Het spreekt voor zich dat iedereen gelijk voor de wet, een belangrijk principe is. Het beschermt tegen willekeur. Het is een basisbeginsel van onze rechtstaat. De eerste lezing uit Jesaja kondigt echter aan dat de logica van God wel eens durft te verschillen van de onze: “Uw gedachten zijn nu eenmaal niet mijn gedachten, mijn wegen niet uw wegen - is de godsspraak van de HEER”. In de evangelielezing hoorden we Jezus vervolgens de gelijkenis vertellen van de arbeiders van het laatste uur. Het is een straf verhaal. Want diegenen die 12 uur gewerkt hebben en diegenen die maar 1 uur gewerkt hebben, krijgen allen hetzelfde loon:  één denarie, zoals overigens overeengekomen. Concreet betekent dit dat diegenen die het laatst aangeworven werden verhoudingsgewijs 12 keer méér verdienen dan diegenen die van ’s morgens vroeg in de vlakke zon gewerkt hebben. Geef toe, het is niet helemaal verwonderlijk dat die arbeiders van het eerste uur protesteren. Hoe zouden we zelf zijn.

Is die landeigenaar dan onrechtvaardig? Met andere woorden, vertoont Jezus zelf  af en toe een onrechtvaardig trekje? Gaat hij hier, met al zijn goede bedoelingen, even uit de bocht? Of is er meer aan de hand?

Je zou kunnen zeggen dat de gelijkenis die Jezus ons hier vertelt, ons twee dingen leert.

1.     Zoals gebruikelijk, openbaren de verhalen van Jezus ons niet alleen wie God is. Zij houden ons ook een spiegel voor van wie wij mensen zijn. Of preciezer, ze confronteren ons met onze kleine kantjes. Wat betekent dat hier?

ð Aan die arbeiders van het  laatste uur valt een totaal onverhoopt geluk te beurt. Zo maar. In plaats van die avond zonder geld naar huis te gaan, zullen ook zij hun kinderen te eten kunnen geven. Bovendien hebben zij er zich helemaal niet moeten voor uitputten. Wie zou niet in hun plaats willen zijn? Meer nog, zouden we ons niet kunnen verheugen om dat geluk dat die sukkelaars te beurt valt?

ð De reactie van de arbeiders van het eerste uur is echter net omgekeerd. Zij zijn ongelukkig om dat die anderen gelukkig zijn. De eersten hebben nochtans exact gekregen wat hen beloofd was. Toch zijn ze boos en verontwaardigd. Dit heet jaloersheid: boos worden omdat een ander geluk heeft. Is dat echt wat wij willen? Kiezen wij ervoor om ons te laten strikken door de al te gekke logica van de jaloersheid? Dat is de eerste vraag die deze gelijkenis ons stelt.

2.     Het verhaal van die landeigenaar doet ons echter in de eerste plaats God en Jezus zelf beter kennen.

ð De rechtvaardigheid van God is er geen van een koopman die afweegt.  Het is er geen van de boekhouder die netjes de rekeningen bijhoudt en ieder geeft wat hem van rechtswege toekomt.

ð Zo eisend en kritisch als onze God naar ons toe kan zijn, zo bevreemdend mateloos is zijn liefde. Hij geeft ons gewoon wat we nodig hebben. Ook al verdienen we het niet of durven we er niet op te hopen. En wat wij nodig hebben om te leven, dat is nu eenmaal voor ieder verschillend.

ð Vermits wij zelf spontaan niet zo reageren, hebben we het vaak moeilijk om deze liefdevolle mateloosheid van God te aanvaarden. Voor anderen. Maar vaak ook voor onszelf. Het kan vreemd lijken als ik dat zo zeg, maar het is niet makkelijk voor ons om te geloven dat God van ons houdt. Niet alleen van de mens in het algemeen. Maar meer nog en in het bijzonder van u,  van mij,  van elk van ons afzonderlijk. Zoals we zijn. In onze grootheid en in onze kleinheid.

ð Het is niet zo moeilijk om van Jezus te houden. Ongeveer iedereen is het er over eens dat er nooit een mooier mens dan Hij heeft rondgelopen op aarde. Veel moeilijker is het om ons te làten beminnen door Jezus. Want je laten beminnen door iemand, vraagt om je kwetsbaar op te stellen. Je laten beminnen betekent aanvaarden dat de ander in je intimiteit binnenkomt, ook daar waar je met jezelf niet in het reine bent. En vermits de liefde van God absoluut is, is het ons hele wezen, zonder enige beperking, licht én schaduw, dat de Heer wil doorstralen met zijn liefde. Geen wonder dan ook dat we het soms moeilijk kunnen hebben met die radicaliteit van Gods liefde.
Dat is het waar ons geloof ons in de eerste plaats toe uitnodigt. Niet meteen zelf van alles doen. Wel, eerst en vooral, ons plaatsen in de liefhebbende blik van de Heer en steeds weer ontdekken, dat zijn liefde ons zoveel meer geeft dan wij ook maar hadden durven hopen. De rechtvaardigheid van Jezus is die van de mateloze liefde van onze God, voor elk van ons.

Reacties