Is die jongen echt verloren?



Dit WE was ik een van de begeleiders van het bezinningsWE van een 50-tal studenten van het Dondeynehuis uit Leuven. Thema was "Over hoop". Hieronder vindt u de tekst van mijn homilie bij het Evangelie van vandaag, het verhaal van de verloren zoon.

Enkele jaren geleden werkte ik drie maanden in het Zuiden van Chili, in een therapeutische gemeenschap voor drugsverslaafden. Een 50-tal jonge mannen, tussen 15 en 35 jaar. Op het eerste gezicht was er niets bijzonder te zien aan hen: levenslustige, opgewekte jonge mensen. Als we evenwel ’s middag gingen zwemmen, dan zag je dat de armen van heel wat onder hen de tekens van zelfverminking vertoonden. En meer dan een had op zijn borstkas indrukwekkende sporen van mesgevechten. De directeur vertelde mij van bij de aanvang dat er onder zijn schaapjes jongens waren die alles hadden misdaan wat je je maar kan bedenken, en erger nog.

Hun tragische levensverhalen kwamen uitvoerig aan bod in de gesprekssessies waar ik aan deelnam.  Vaak vertelden ze dat hun drugsverslaving hen gebracht had tot “tocar el fondo” – het raken van de bodem: ze waren zo diep gevallen dat het voor hen duidelijk was geworden: ofwel sla ik hier het roer drastisch om, ofwel is het gewoon gedaan. Zo herinner ik me een jongen die zei dat hij op een bepaald moment eigenlijk gewoon aan het wachten was tot er iemand hem in een gevecht of bij een overval zou doden.

Ver van mijn bed? Ver van jullie bed? Qua concrete vorm  waarschijnlijk wel. Inhoudelijk, qua dynamiek niet noodzakelijk en zeker niet altijd. Ook wij kunnen ons vastrijden. In een liefdes- of familiale relatie, in een manier van wel of niet te studeren of te werken, in een verslaving die je niet wil toegeven maar waarvan je weet dat ze er wel degelijk is en die met veel tijd en energie gaat lopen.  Ook wij kunnen de bodem raken. Es soms behoorlijk massief. Zoals die jongste zoon uit het Evangelieverhaal dat we daarnet hoorden.

Een van de meest indrukwekkende momenten in die therapeutische gemeenschap in Chili was het ochtendritueel. Al de gasten gingen dan in een cirkel staan, arm in arm, dicht tegen mekaar. Een riep dan, vragend: “Se puede?“ – “Is het mogelijk?”. En al de anderen antwoordden, neen schreeuwden dan de longen uit hun lijf: “Se puede, se puede, se puede” : “Ja het is mogelijk.” Geleidelijk aan werd mij duidelijk dat die plaats waar al de miserie van de wereld leek samen te komen, bovenal een plaats was  van hoop. Hoop die vleugels gaf. Hoop die mensen mens deed worden, soms voor de eerste maal in hun leven.

Die verloren jongste zoon is vervallen tot het niveau van een varken, en eigenlijk nog minder. Zijn redding is het feit dat hij het aandurft om rechtsomkeer te maken. Eigenlijk durft hij hopen dat zijn leven nog niet om zeep is, ook al lijkt alles daarop te wijzen. Er staat niet met zoveel woorden dat hij in God gelooft. Er staat niet dat hij plotsklaps begint te bidden. Wel dat hij, rechtsomkeer maakt. Dat hij zich, letterlijk, be-keert. Hij durft te hopen dat die miserie niet het laatste woord is in zijn verhaal. Dat er iets, iemand op hem wacht. Dat er voor hem meer weggelegd is in het leven.

Die jongste zoon komt niet bedrogen uit. Zijn zo kwetsbare halmpje van hoop blijkt de sleutel die de deur opent van een nieuw leven. Hij ontdekt dat zijn vader niet alleen bereid is om hem te “verdragen”. Neen, hij ontdekt dat zijn vader op de uitkijk staat, hem omhelst en overlaadt met liefde en goedheid.
Is dit intellectueel verantwoord? Is hopen logisch en rationeel? Neen. Ik zou zeggen, net zomin als veel van onze andere diepste verlangens en verzuchtingen die een heel andere richting uitwijzen als de ratio. Maar is het ook niet jullie ervaring dat dat als mensen het aandurven om te hopen, om zichzelf in vraag te laten stellen en te luisteren naar die stille stem die je soms kan horen in het diepste van  je hart kan horen, dat dan de mooiste dingen kunnen gebeuren.

Hoop, geloof en liefde. Men noemt ze de “theologale deugden”, dwz dat die drie houdingen iets zeggen over het diepste wezen van het absolute zijn, van het wezen van God zelf.

Ik nodig jullie – en mezelf – graag uit om het avontuur van de hoop aan te durven.

Reacties

Bekkeneel zei…
Waardoor ben ik er nog? Wat heeft mij in leven gehouden? Waardoor is het geleidelijk aan beter gegaan en ben ik wel tot de rand gegaan maar niet weggevallen de bodemloze put in? Wel de bodem geraakt (tocar-touch), niet door de bodem heen gestort in een eeuwig zwart gat, die Hölle, de holte, het holst van de nacht zonder tijd, zonder einde? Was datgene waardoor het goed gekomen is iets van mezelf of ten diepste toch niet? Was het mijn eigen hoop of was het tenslotte toch de Hand van God die me tegengehouden heeft en beschermd tegen de wanhoopsdaad? Ik neig er natuurlijk toe het laatste te antwoorden. Maar dat geeft een probleem, want hoe zit het dan met de arme drommels, de Judassen, of de "losers" die in de kracht van hun leven het krukje onder hun voeten wegtrappen en zichzelf dood maken? Het gebeurt nu. Waarom wordt de een wel door God tegengehouden en hangt de ander 2 weken in zijn bijhok voor de buren eindelijk vinden dat de politie maar gewaarschuwd moet worden omdat de kat geen eten meer lijkt te krijgen en zo vreemd rondloopt buiten? Onbeantwoordbare vraag. Beter niet stellen dus.
Ik zeg tegen iedereen die met zelfmoordgedachten loopt: snijd af, ruk uit, vermorzel, stamp plat als een schorpioen onmiddellijk. Kijk nog een keer naar Dr. No als Bond de tarantula verplettert, die ze in zijn bed hadden verstopt om hem om te leggen. Dat is je zelfmoordgedachte. Want je wordt bedrogen. Je denkt dat je de hel tussen je oren kunt beëindigen door een eind aan je leven te maken, maar je zal hem meenemen naar de andere kant voor altijd.
Dit is misschien het grootste probleem van deze tijd dat tallozen valselijk denken dat met de dood alles afgelopen is. "Je neemt slaaptabletten en een fles Whiskey en je verneemt er niks van. Geen oordeel, geen hemel, geen hel. Doe wat je wilt." Leugens en bedrog.
Ik ben teruggegaan naar de Vader. De Vader heeft mij getrokken. De Vader is alles. Zonder de Vader is er inderdaad geen hoop. Mijn hoop, mijn geloof, mijn liefde voorzover is die heb, altijd te weinig, is het leven van de Vader of van de Drieëne in mij. Mijn hoop was niet gestorven in mij omdat God het licht niet helemaal uitgedaan had.