Barmhartigheid



Hier vindt u de Nederlandse vertaling van de brief die Paus BenedictusXVI schreef nalv de zaak Williamson. Een indrukwekkend document met aangrijpende beschouwingen over barmhartigheid en vergeving.

“Dierbare medebroeders in het Bisschopsambt!

De opheffing van de excommunicatie van de vier bisschoppen die in 1988 zonder mandaat van de Heilige Stoel door aartsbisschop Lefebvre zijn gewijd, heeft om veelsoortige redenen zowel binnen als buiten de Katholieke Kerk geleid tot een discussie van een heftigheid die we sinds lange tijd niet meer hebben meegemaakt. Veel bisschoppen waren zeer ontdaan over een gebeurtenis, die zich onverwacht voordeed en nauwelijks positief in te passen was in de vragen en opgaven van de Kerk vandaag. Ook al waren veel herders en gelovigen bereid de wil tot verzoening van de paus in principe positief te waarderen, toch stond daar tegenover de vraag naar de gepastheid van zo’n gebaar in het licht van de werkelijk urgente kwesties van het geloofsleven in onze tijd. Verschillende groeperingen daarentegen beschuldigden de paus er openlijk van terug te willen keren naar de tijd van voor het Concilie en een lawine van protesten werd ontketend, waarvan de bitterheid wonden blootlegde, die verder gaan dan die van dit ogenblik. Daarom voel ik mij genoodzaakt tot U, dierbare medebroeders, een verhelderend woord te richten dat moet bijdragen de redenen te verstaan die mij en de bevoegde instellingen van de Heilige Stoel tot deze stap gebracht hebben. Ik hoop op deze wijze bij te dragen tot vrede in de Kerk.

Een tegenslag die ik niet kon voorzien was dat de zaak Williamson de opheffing van de excommunicatie overschaduwde. Het stille gebaar van barmhartigheid tegenover vier geldig doch niet rechtmatig gewijde bisschoppen leek plotseling iets heel anders: het afwijzen van de joods-christelijke verzoening, het terugnemen van wat het Concilie in deze zaak tot weg van de Kerk heeft verklaard. Op deze manier verkeerde een uitnodiging tot verzoening met een afgescheiden kerkelijke groep in het tegendeel: een schijnbare terugkeer op alle stappen van verzoening tussen christenen en joden, die sinds het Concilie zijn gezet; het begeleiden en verder brengen van die verzoening is vanaf het begin een doelstelling van mijn theologische werk geweest. Dat deze overlapping van twee tegengestelde processen heeft plaatsgevonden en zowel de vrede tussen christenen en joden alsook de vrede in de Kerk tijdelijk heeft verstoord, kan ik alleen maar ten diepste betreuren. Ik heb vernomen dat het aandachtig volgen van de op internet beschikbare berichtgeving het mogelijk gemaakt zou hebben op tijd kennis te nemen van het probleem. Ik heb daarvan geleerd dat wij bij de Heilige Stoel in de toekomst opmerkzamer moeten zijn op deze informatiebron. Bedroefd ben ik over het feit dat ook katholieken, die eigenlijk beter hadden kunnen weten, meenden met gretige vijandigheid mij te moeten aanvallen. Des te dankbaarder ben ik de joodse vrienden die geholpen hebben het misverstand snel uit de wereld te helpen en de sfeer van vriendschap en vertrouwen te herstellen die – zoals ten tijde van paus Johannes Paulus II – ook gedurende de gehele tijd van mijn pontificaat heeft bestaan en Goddank voortduurt.

Een ongelukkig feit, dat ik oprecht betreur, bestaat hierin dat de grenzen en de reikwijdte van de maatregel van 21 januari 2009 bij de bekendmaking ervan niet duidelijk genoeg zijn aangegeven. Excommunicatie treft personen, geen instellingen. Een bisschopswijding zonder pauselijke opdracht brengt het gevaar van een schisma met zich mee, omdat deze de eenheid van het College van bisschoppen met de paus in twijfel trekt. De Kerk moet daarom reageren met de zwaarste straf, excommunicatie, en wel om de gestraften tot berouw te brengen en terug te roepen tot de eenheid. Twintig jaar na de wijding is dit doel helaas nog altijd niet bereikt. Het opheffen van de excommunicatie dient hetzelfde doel als de straf zelf: de vier bisschoppen nogmaals uitnodigen tot terugkeer. Dit gebaar was mogelijk nadat de betrokkenen hun principiële erkenning van de paus en zijn gezag als herder hadden uitgesproken, zij het met een voorbehoud wat betreft de gehoorzaamheid aan zijn leergezag en aan dat van het Concilie. Daarmee kom ik terug bij het onderscheid tussen persoon en instelling. De opheffing van de excommunicatie was een maatregel op het terrein van de kerkelijke discipline: de personen werden bevrijd van de gewetenslast van de zwaarste kerkelijke straf. Het leerstellige terrein moet van dit disciplinaire niveau worden onderscheiden. Dat de Broederschap van St. Pius X geen canonieke status in de Kerk heeft, berust in feite niet op disciplinaire, doch op leerstellige gronden. Zolang de Broederschap geen canonieke status in de Kerk heeft, zolang oefenen ook de ambtsdragers ervan geen rechtmatige ambten in de Kerk uit. Er moet dus onderscheid worden gemaakt tussen het disciplinaire niveau dat de personen als personen betreft, en het leerstellige niveau, waarbij ambt en instelling aan de orde zijn. Om het nogmaals te zeggen: zolang de leerstellige vragen niet opgehelderd zijn, heeft de Broederschap geen canonieke status in de Kerk en oefenen de ambtsdragers ervan, ook al zijn ze vrij van kerkelijke straf, geen ambten in de Kerk rechtmatig uit.

Met het oog op deze situatie ben ik voornemens de Pauselijke Commissie ‘Ecclesia Dei’, die sinds 1988 bevoegd is voor gemeenschappen en personen die, afkomstig uit de Broederschap St. Pius X of soortgelijke groeperingen, terug willen keren in de volledige gemeenschap met de paus, in de toekomst te verbinden met de Congregatie voor de Geloofsleer. Zo moet duidelijk worden dat de thans te behandelen problemen wezenlijk van leerstellige aard zijn en bovenal de aanvaarding van het Tweede Vaticaans Concilie en het postconciliaire leergezag van de pausen betreffen. De collegiale instellingen waarmee de Congregatie de voorkomende vragen behandelt (in het bijzonder de vaste vergadering van kardinalen op woensdag en de een- tot tweejarige plenaire bijeenkomsten) garanderen dat de prefecten van verschillende Romeinse Congregaties en het wereldepiscopaat bij de te nemen beslissingen betrokken worden. Men kan het leergezag van de Kerk niet in het jaar 1962 bevriezen – dat zal de Broederschap geheel duidelijk moeten zijn. Maar sommige van degenen die zich op de voorgrond plaatsen als grote verdedigers van het Concilie, moet ook in herinnering worden gebracht dat het Tweede Vaticaans Concilie de hele geschiedenis van het leergezag in zich draagt. Wie gehoorzaam wil zijn aan het Concilie, moet het geloof van eeuwen aanvaarden en mag de wortels van waaruit de boom leeft niet afsnijden.

Ik hoop, dierbare medebroeders, dat hiermee zowel de positieve betekenis alsook de grens van de maatregel van 21 januari 2009 opgehelderd is. Maar nu blijft de vraag: Was het nodig? Had het werkelijk prioriteit? Zijn er niet heel veel belangrijkere zaken? Natuurlijk zijn er belangrijkere en meer dringende zaken. Ik denk dat ik de prioriteiten van mijn pontificaat in mijn toespraak bij het begin ervan duidelijk heb gemaakt. Wat ik toen gezegd heb blijft onveranderlijk mijn richtlijn. De eerste prioriteit voor de opvolger van Petrus heeft de Heer op niet mis te verstane wijze bepaald in de zaal van het laatste Avondmaal: “Versterk op uw beurt uw broeders” (Lc 22,32). Petrus zelf heeft in zijn eerste brief deze prioriteit opnieuw geformuleerd : “Weest altijd bereid tot verantwoording aan alwie u rekenschap vraagt van de hoop die in u leeft” (1 Pe 3,15). In onze tijd, waarin het geloof in grote delen van de wereld dreigt uit te doven als een vlam die geen voeding meer krijgt, is het de allereerste prioriteit God aanwezig te stellen in deze wereld en voor de mensen de weg naar God te openen. Niet naar zomaar een god, maar naar de God die op de Sinaï gesproken heeft; naar de God wiens gelaat wij herkennen in de Liefde tot het uiterste toe (Joh 13,1): in Jezus Christus, die gekruisigd en verrezen is. Het eigenlijke probleem van dit moment in de geschiedenis is dat God voor de mensen achter de horizon verdwijnt en dat met het uitdoven van het licht dat van God komt, de mensheid wordt getroffen door een totaal gebrek aan oriëntatie, waarvan we de vernietigende werking steeds meer te zien krijgen.

De mensen tot God brengen, de in de Bijbel sprekende God, is de hoogste en fundamentele prioriteit van de Kerk en van de opvolger van Petrus in deze tijd. Daaruit volgt dan vanzelf dat het ons om de eenheid van de gelovigen moet gaan. Hun onenigheid – hun onderlinge tegenstellingen – maakt het spreken over God immers twijfelachtig. Daarom is het streven naar gemeenschappelijk geloofsgetuigenis door christenen – de oecumene – bij de hoogste prioriteit ingesloten. Daarbij komt de noodzaak voor allen die in God geloven om samen naar vrede te zoeken, proberen nader tot elkaar te komen, om zo in de verscheidenheid van hun godsbeeld toch gezamenlijk in de richting van de bron van het Licht te gaan – de interreligieuze dialoog. Wie God verkondigt als Liefde tot het uiterste toe moet getuigen van de liefde: de lijdenden in liefde toegedaan zijn, haat en vijandschap afwijzen – de sociale dimensie van het christelijk geloof, waarover ik in de encycliek Deus Caritas est gesproken heb.

Als dus de strijd om het geloof, om de hoop en om de liefde in de wereld op dit moment (en altijd, in verschillende vormen) voor de Kerk de ware prioriteit vormt, dan behoren de kleine en middelgrote pogingen tot verzoening daar ook bij. Dat het stille gebaar van een uitgestoken hand tot veel spektakel en juist tot het tegendeel van verzoening heeft geleid, moeten we onder ogen zien. Maar nu vraag ik toch: Was en is het werkelijk verkeerd ook hier de broeder tegemoet te komen “die iets tegen u heeft” en verzoening te zoeken (vgl. Mt 5,23 vlg.). Moet niet ook de burgermaatschappij proberen radicalisering te voorkomen, de mogelijke aanhangers – indien enigszins mogelijk – weer te in te voegen in de grote vormende krachten van het maatschappelijk leven, om inkapseling en alle gevolgen van dien te vermijden? Kan het helemaal verkeerd zich in te zetten voor het ontspannen van krampachtigheid en opheffen van vernauwing, en ruimte te geven aan datgene wat positief is en zich in het geheel laat invoegen? Ik heb zelf in de jaren na 1988 gezien hoe door de terugkeer van gemeenschappen die zich eerder van Rome hadden afgescheiden, het geestelijke klimaat daar veranderde; hoe door de thuiskomst in de grote, brede en gemeenschappelijke Kerk eenzijdigheid werd overwonnen en krampachtigheid ontspannen, zodat daar positieve krachten voor het geheel vrijkwamen. Kunnen wij onverschillig staan tegenover een gemeenschap met 491 priesters, 215 seminaristen, zes seminaries, 88 scholen, twee universitaire instituten, 117 broeders en 164 zusters? Moeten we die werkelijk maar rustig verder van de Kerk laten afdrijven? Ik denk bijvoorbeeld aan die 491 priesters. We weten niet hoe complex hun motivatie is. Maar ik denk dat zij niet voor het priesterschap zouden hebben gekozen als er niet bij hen, afgezien van enkele vreemde of zieke geesten, sprake was geweest van liefde tot Christus en de wil Hem, en met Hem de levende God, te verkondigen. Moeten we hen eenvoudigweg als vertegenwoordigers van een radicale randgroepering uitsluiten van het streven naar verzoening en eenheid? Hoe zal dat uitpakken?

Zeker, wij hebben al lange tijd, en wederom bij deze gelegenheid, veel wanklanken gehoord van de kant van vertegenwoordigers van deze gemeenschap – hoogmoed en betweterij, zich vastbijten in eenzijdigheden, enz. Daar moet ik waarheidshalve aan toevoegen dat ik ook een heel aantal ontroerende dankbetuigingen heb ontvangen, waarbij mensen hun hart lieten spreken. Maar moet de grote Kerk ook niet grootmoedig kunnen zijn in de wetenschap dat ze een lange adem heeft, in de wetenschap van de belofte die haar is gedaan? Moeten wij als ware opvoeders niet heel wat kwaads kunnen verdragen en ons inspannen mensen rustig weg te voeren uit hun eenzijdigheid? En moeten we niet toegeven dat ook in kerkelijke kringen wanklanken te horen zijn? Dikwijls krijgt men de indruk dat onze samenleving tenminste één groep nodig heeft die men geen tolerantie behoeft te betonen, waarop men rustig vol haat los kan trekken. En wie het waagt die groep te benaderen – in dit geval de paus – verliest zelf ook het recht op tolerantie en mag zonder schroom of terughoudendheid met haat overladen worden.

Dierbare medebroeders, in de dagen dat ik het idee kreeg deze brief te schrijven, gebeurde het toevallig dat ik in het priesterseminarie van Rome de tekst van Galaten 5,13-15 moest uitleggen en becommentariëren. Ik was verbaasd hoe rechtstreeks deze tekst spreekt over het huidige moment: “Misbruik de vrijheid niet als voorwendsel voor de zelfzucht. Integendeel, dient elkander door de liefde. Want de hele wet is vervat in dit ene woord: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Maar als ge elkaar blijft bijten en klauwen, vrees ik dat ge elkaar in het eind zult verslinden.” Ik had altijd de neiging deze zin te beschouwen als een van de retorische overdrijvingen die we af en toe bij de heilige Paulus vinden. In zeker opzicht is dat ook wel mogelijk. Maar helaas bestaat dat “bijten en klauwen” ook vandaag in de Kerk, als uitdrukking van een slecht begrepen vrijheid. Is het verwonderlijk dat wij ook niet beter zijn dan de Galaten? Dat we op zijn minst worden bedreigd door dezelfde bekoringen? Dat wij het juiste gebruik van de vrijheid steeds opnieuw moeten leren? En dat we steeds opnieuw de hoogste prioriteit moeten leren: de liefde? Op de dag dat ik daarover moest spreken in het priesterseminarie werd in Rome het feest gevierd van de Madonna della Fiducia – Onze Lieve Vrouw van het Vertrouwen. Inderdaad, Maria leert ons vertrouwen. Zij leidt ons tot haar Zoon, in wie wij allemaal ons vertrouwen mogen stellen. Hij zal ons leiden – ook in turbulente tijden. Zo wil ik tot slot mijn hartelijke dank uitspreken aan de vele bisschoppen die mij in deze tijd roerende tekenen van vertrouwen en genegenheid hebben geschonken, maar bovenal dank ik hen voor hun gebed. Deze dank geldt ook alle gelovigen die mij in deze tijd hun onveranderde trouw aan de opvolger van de heilige Petrus hebben betoond. De Heer moge ons allen behoeden en ons leiden op de weg van de vrede. Dat is een wens die spontaan uit mijn hart opstijgt, juist aan het begin van de Veertigdagentijd, een liturgische tijd, die in het bijzonder bevorderlijk is voor de innerlijke zuivering en die ons allen uitnodigt met nieuwe hoop op te gaan naar het licht van Pasen.

Met een bijzondere apostolische zegen, verblijf ik

in de Heer Uw Benedictus PP XVI

Uit het Vaticaan, 10 maart 2009”

Reacties

Anoniem zei…
Inderdaad, ik mag hier een gemeende brief lezen. De paus schrijft een gefundeerde inhoud maar tegelijkertijd voel ik hoe hij zich richt tot elke individuele lezer met een oproep om mens te zijn met een goddelijke uitstraling. 't Is een brief vanuit "Rome" maar ik vind hem als het ware in "mijn brievenbus".

Meest gelezen

Drie tips om katholiek te blijven in tijden van misbruikcrisis

Theresia van Lisieux legt uit waarom ze onmogelijk angst kan hebben voor God

Het beste medicijn tegen hoogmoed