Oorsprong


Vandaag, 20 mei, gedenken we het begin van de bekering van Ignatius van Loyola. Op 20 mei 1521 werd hij inderdaad zwaar gewond in Pamplona. Het werd het begin van een bekeringsproces dat lange jaren zou in beslag nemen.

In zijn autobiografie, “Het verhaal van de pelgrim”, vertelt meesterverteller Ignatius de eerste etappes van deze pelgrimstocht. Deze zou zo maar eventjes 20 jaar duren.

Hieronder vindt u de eerste paragrafen waarin hij zijn verwonding beschrijft. De laatste regels verhalen het subtiele begin van de bekering. Het is die precieze ervaring die aan de oorsprong ligt van de ignatiaanse spiritualiteit.

Tot aan zijn zesentwintigste was hij iemand die zich overgaf aan de ijdelheden van de wereld. Wat hij vooral graag deed was zich oefenen in het hanteren van de wapens, met een groot en ijdel verlangen daarbij eer te behalen.

Zo ook die keer toen hij zich in een vesting bevond, die door de Fransen werd aangevallen. Iedereen was van mening dat ze zich moesten overgeven, op voorwaarde dat men hen in leven liet. Zo duidelijk was het dat ze zich niet konden verdedigen. Maar hij slaagde erin de bevelhebber met zoveel argumenten tot de verdediging over te halen, en dat tegen de mening van alle ridders in, dat ook zij zich toen door zijn moed en kracht lieten sterken. De dag waarop ze de beschieting verwachtten, sprak hij zijn biecht bij een van zijn wapengezellen. De beschieting was al een hele tijd aan de gang, toen hij door een kanonskogel getroffen werd die zijn been verbrijzelde. Omdat de kogel langs beide benen was gegaan, raakte ook het andere ernstig gewond.

Toen hij uitgevallen was, gaven de anderen in de vesting zich onmiddellijk aan de Fransen over. Dezen namen de vesting in en zorgden daarna erg goed voor de gewonde. Ze behandelden hem hoffelijk en vriendelijk, en na twaalf tot vijftien dagen Pamplona bracht men hem op een overdekte draagbaar naar huis. …

Toen de botten weer aan elkaar begonnen te groeien, bleef er onder de knie een stuk bot over het andere geschoven, waardoor het ene been korter bleef dan het andere. Bovendien bleef er op die plaats zo'n knobbel zitten, dat het er lelijk uitzag. Hij kon dat niet uitstaan. Hij was immers vastbesloten de wereld te volgen en vond dat dit hem lelijk maakte. Daarom informeerde hij bij de chirurgen of ze het niet konden wegsnijden. Die zeiden dat dit inderdaad kon, maar dat de pijn erger zou zijn dan alles wat hij al doorstaan had. Omdat het al genezen was, zou er een opening gemaakt moeten worden om het weg te kunnen snijden. Toch besloot hij toen, uit pure ijdelheid, zich te laten martelen. Zijn oudere broer zei ontsteld dat hij het nooit van zichzelf zou kunnen verkrijgen zo’n pijn te verdragen. Maar de gewonde onderging het met zijn gewone geduld. …

Nu las hij erg graag van die wereldse en fantasierijke boeken die men ridderromans pleegt te noemen. Om de tijd te doden en omdat hij zich weer goed voelde, vroeg hij om enkele van zulke boeken. Maar van het soort dat hij meestal las, was er daar in huis geen enkel te vinden. Toen gaf men hem maar een Spaanse vertaling van het ‘Leven van Christus’ en van een boek over het leven van de heiligen.

Maar doordat hij er vaak in las, begon datgene wat hij erin aantrof hem toch wel iets te doen. Hield hij echter op met daarin te lezen, dan bleef hij soms in gedachten bezig met wat hij gelezen had, terwijl andere keren zijn gedachten weer naar de dingen van de wereld gingen, waaraan hij daarvoor meestal had liggen denken.

Van die vele ijdele dingen die bij hem opkwamen, nam er één zozeer zijn hart in beslag, dat hij in gedachten daaraan wel twee of drie, soms vier uur geheel en al opging zonder het in de gaten te hebben. Dan verbeeldde hij zich in dienst te staan van een bepaalde meesteres en ging hij na wat voor middelen hij zou gebruiken om bij het landgoed te kunnen komen waar zij verbleef, wat voor verzen hij voor haar zou maken, met wat voor woorden hij zich tot haar zou richten en wat voor geweldige dingen hij met de wapens voor haar zou presteren. Daar ging hij dan zo in op dat hij gewoon niet zag dat onmogelijk zou kunnen bereiken. De betreffende meesteres was immers niet van gewone adel, geen gravin of hertogin, maar haar stand was hoger dan iedere andere.

Toch kwam onze Heer hem te hulp, door ervoor te zorgen dat er op die gedachten andere volgden, die voortkwamen uit de dingen die hij las. Want als hij het leven van onze Heer en van de heiligen las, raakte hij aan het denken en redeneerde hij bij zichzelf. ‘Hoe zou het zijn als ik eens hetzelfde zou doen als Sint‐Franciscus, en als ik eens hetzelfde zou doen als Sint‐Dominicus?’ Heel veel dingen die hij goed vond, ging hij zo na, waarbij hij zich steeds de moeilijke en zware dingen voorstelde. Daarbij had hij het gevoel dat hij die dingen gemakkelijk aan zou kunnen. Zijn overweging behelsde overigens niet meer dan dat hij bij zichzelf zei: ‘Sint‐Dominicus deed dit, dan moet ik dat ook kunnen. Sint‐Franciscus deed dat, dan moet het mij ook lukken.’ Ook die gedachten namen heel wat tijd in beslag. Kwam er dan het een of ander tussen, dan kwamen daarna die wereldse gedachten weer terug waar boven sprake van was. Ook daar bleef hij dan weer geruime tijd mee bezig. Die opeenvolging van onderling zo uiteenlopende gedachten heeft lang geduurd. Steeds stond hij stil bij de op dat moment terugkerende gedachte, of die nu over de geweldige dingen ging die hij in de wereld verlangde te presteren, dan wel over die andere geweldige dingen die hij in zijn fantasie voor God presteerde. Dat duurde dan totdat hij die gedachte, moe geworden, losliet en zijn aandacht aan iets anders gaf.

Toch was er een verschil. Was hij namelijk met zijn gedachten bij dat van de wereld dan vond hij daar wel veel behagen in, maar liet hij het ten slotte vermoeid los dan voelde hij zich dor en ontevreden. Bedacht hij daarentegen hoe het zou zijn om barrevoets naar Jeruzalem te trekken, en hoe het zou zijn om enkel plantaardig voedsel te eten en om ook al die overige gestrengheden te verrichten waarvan hij gezien had dat de heiligen die hadden gedaan, dan vond hij niet alleen troost zolang hij daar in gedachten mee bezig was, maar bleef hij ook tevreden en opgewekt nadat hij ze had losgelaten. Maar hij schonk daar geen aandacht aan en kwam er niet toe dieper in te gaan op dat verschil, totdat hem op een keer de ogen een beetje opengingen en hij zich over dat onderscheid begon te verwonderen. Toen begon hij erover na te denken en op grond van zijn ervaringen kwam hij tot het inzicht dat sommige gedachten in hem droefheid achterlieten, andere daarentegen blijdschap. Zo leerde hij beetje bij beetje de verschillende aard kennen van de geesten waardoor hij bewogen werd: de een van de duivel, de ander van God.

Reacties

Meest gelezen

Hoe een capucino het verschil kan maken als je van de ene dag op de andere invalide wordt: het getuigenis van Jurjen

Bestaat atheïsme echt? Het antwoord van Lode Van Hecke, abt van Orval

Begeleiding genieten: een dubbelgeschenk (1/4)

Het sterfbed als leessleutel voor de ontmoeting met Jezus - homilie van Nikolaas Sintobin sj