Homilie voor de negentiende zondag door het jaar (B) 1 Koningen 19,4-8; Efeziërs 4,30-5,2; Johannes 6,41-51 Velen onder ons hebben deze morgen brood of andere graanproducten gegeten. Gewoon, zoals altijd. Brood maakt deel uit van onze dagdagelijkse werkelijkheid. We staan er niet bij stil. We hebben het eenvoudigweg in huis. Ook onze taal verwijst ernaar: “broodnodig”, “zijn brood verdienen”, “zwart brood eten” enzovoort. Zo dadelijk zullen de misdienaars de hosties aanbrengen, het brood om de eucharistie te vieren. In geloof weten wij dat die kleine ronde stukjes ongedesemd tarwebrood, eens geconsacreerd, het lichaam zelf zullen worden van de Verrezen Heer die zich aan ons aanbiedt. Ook hiermee zijn we vertrouwd. We horen en zien het elke week en meestal eten we ook elke week zo’n stukje brood. Als we er even over nadenken is dit eigenlijk helemaal niet zo gewoon. Wel integendeel. Wie hier bij stilstaat, in gebed of kritisch rationeel, die moet hier wel door ...