Kan een christen iets leren van een heiden?
9de
zondag van het jaar: 1 Kon.
8, 41-43 Gal 1, 1-2.6-10 Lucas 7,1-10

Als u het mij vraagt zijn de eerste
minuten van het publieke optreden van Franciscus doorslaggevend geweest. Weet u
waar ik naar verwijs? Als Franciscus daar, op de loggia van de
Sint-Pietersbasiliek, vrijwel meteen en langdurig zich heeft gebogen voor God en
de mensen gevraagd heeft om, samen met hem, te bidden om Gods zegen over zijn
pontificaat. Zijn naamkeuze had het reeds aangekondigd. De allereerste publieke
daad die hij stelde maakte het helemaal duidelijk. Franciscus heeft zijn
pontificaat gesteld onder het teken van de nederigheid. En daarvan heeft de
wereldopinie, en ik denk wij allemaal, heel terecht aangevoeld dat het
christelijk geloof daar alles mee te maken heeft.
Het is deze houding van nederigheid die
centraal staat in de evangelielezing van vandaag. Spontaan wordt onze
aandacht natuurlijk het meest getrokken
door het wonder dat Jezus hier verricht: de genezing van de dienaar van de
honderdman. Een genezing die bovendien gebeurt van op afstand. Er is geen
ontmoeting tussen die knecht en Jezus. Er is zelf geen ontmoeting tussen de
honderdman en Jezus.
Wat kunnen we leren uit deze episode in
het leven van Jezus? Twee zaken lijken me naar voor te springen.
1.
De honderdman is
op het niveau van Kafarnaüm een belangrijk en machtig man. Hij is Romein en
vertegenwoordigt er de bezetter. Toch vertrouwt hij zichzelf en zijn dierbare knecht
volledig toe aan Jezus: “één woord van U is voldoende om mijn knecht te doen genezen”. De honderdman gelooft in Jezus. En wel vanuit een
houding van nederigheid. Hij eist
niets, hoewel hij dat zou kunnen. Hij maakt nergens aanspraak op. Integendeel,
hij ver-nedert zichzelf: “Ik ben het niet
waard dat Gij onder mijn dak komt”. Het zinnetje heeft door de eeuwen heen zo’n
indruk gemaakt op christenen dat deze woorden in de vaste gebeden van de eucharistieviering
is terechtgekomen: “Heer ik ben niet
waardig dat Gij tot mij komt”.
Nederigheid en geloof gaan hand in hand.
Meer nog, nederigheid is de deugd bij
uitstek van de christen. Het betekent dat je erkent dat je uit jezelf onmachtig
bent. Dat alles in laatste instantie genade, geschenk is. Jezus aarzelt dan ook
niet om die man – ik herhaal het nog even, een gehate Romeinse heiden en
bezetter - tot voorbeeld te stellen
voor de vrome joden van zijn dorp: “Ik zeg u: zelfs in Israël heb Ik zo’n groot
geloof niet gevonden.”
2.
Er is nog een tweede
leerpunt voor ons in dit verhaal. Ik zei het reeds. De honderdman, vraagt niet
voor zichzelf. Hij smeekt Jezus ten voordele van een ander. De honderdman stelt
zijn vraag ook niet rechtstreeks aan Jezus, maar wel langs een aantal Joden van
het dorp. Het gebeurt allemaal via via, en het blijkt nog te werken ook. Anders
gezegd, deze gebeurtenis toont ons dat het echt wel zinvol is om voor anderen te
bidden. Neen, wij zijn niet alleen. In gebed kunnen we, ook in afzondering, met
elkaar verbonden zijn. De gemeenschap van de heiligen noemen we dit in de
geloofsbelijdenis.
Twee leerpunten die elk een vraag
stellen aan elk van ons.
1.
Hoe zit het met mijn
nederigheid, met mijn geloof in de Heer, met mijn me toevertrouwen aan Hem?
2.
Durf ik te vragen in
mijn gebed? Durf ik me kwetsbaar op te stellen tov God door Hem mijn zorgen en
verlangens voor te leggen. En ten
slotte, voor wie bid ik? Voor mezelf? Of ruim ik ook bewust ruimte in om te
bidden voor anderen?
Ja, als christenen kunnen we veel leren
van die heidense honderdman.
Reacties