Met veel vertraging zit ik dan uiteindelijk toch in de tram, huiswaarts. Een halte voor tijd ga ik alvast naar de achterkant van de tram, klaar om uit te stappen. De tram neemt een bocht en ik raak een beetje uit mijn evenwicht. Voor mij zit een man die mij vriendelijk aankijkt terwijl ik even wankel. Net op dat moment reikt hij mij de hand. Hé, dacht ik, van waar ken ik dat gezicht? Spontaan neem ik de uitgestrekte hand aan. Dan wordt me duidelijk, uit de reactie van die man, dat we mekaar helemaal niet kenden. Zijn uitgestoken hand was er niet een van vriendschappelijke begroeting. Wel van spontane hulp aan een onbekende waarvan hij dacht dat die zou kunnen vallen. Ik voelde me heel klein, dankbaar en eigenlijk ontroerd. Zou ik in de tram mijn hand uitstrekken naar een wildvreemde die even het evenwicht kwijt was? Nikolaas Sintobin sj
Reacties
"Ik zou niet graag hebben dat bij de gezagsdragers ook de pastorale de gemoedsbewegingen, in het bijzonder boosheid, volledig uitgedoofd en dood zouden zijn . Maar wel dat ze op gepaste wijze onder controle worden gehouden."
Er moet dan een wederwoord kunnen zijn.
Als ik de bijbel lees merk ik dat Jahwe en Jezus, steeds duidelijk spraken, je weet wat je eraan hebt.