De kleine jongleur en Onze Lieve Vrouw - een oud verhaal
Het is honderden jaren geleden en de pest woedt. Ossen
trekken wagens vol met lijken van juist
overleden mensen naar de kalkkuilen buiten de stadsmuren. Daar is er niemand om
hun graf te zegenen. De parochiepriester is zelf reeds overleden, slachtoffer
van zijn risicovolle ziekenbezoeken. De kleine dorpsjongleur begint voor zijn
leven te vrezen. Hoe moeten zijn vrouw en kleine kind zich verder uit de slag
trekken, mocht de pest hem te pakken krijgen?
Hij besluit te bidden.
Stilletjes sluipt hij de parochiekerk die hij anders
alleen maar met Pasen bezoekt binnen. De Kerk verplicht hem immers daartoe. Hij
knielt neer voor het altaar, maar bidden komt er niet van. Wat kan hij de almachtige
God zeggen, die strenge Rechter? Hij gaat maar voor het beeld van Onze Lieve
Vrouw staan en tracht het weesgegroet op te zeggen. Het is al te lang geleden
dat hij zelfs nog maar een kruisteken heeft gemaakt. De woorden van dat korte
gebed is hij helemaal vergeten. Alleen de litanieën die hij als kleine jongen
heeft geleerd blijven nog over.
‘Ik zal met mijn eigen woorden bidden’, zegt de kleine
jongleur, ‘Ik ga vanuit mijn hart tot de
Moeder Maagd bidden. Zij woonde ook in een kleine dorpje.’ Maar de jonge
jongleur vindt de woorden niet meer van de
zoete aanroepingen die hij wil opzeggen. Fluiten naar vrouwen en de
wereld naar de verdoemenis wensen is zijn manier van doen. Hij wordt totaal
moedeloos.
En hij denkt: ‘Ik ga doen wat ik het best kan. Ik zal voor
haar mijn kunsten vertonen’. Hij neemt de ballen uit zijn tas en begint ze op
te gooien, daar en toen in de lege kapel van Onze Lieve Vrouw. Eerst langzaam,
dan zachtjes, één, twee, drie, hoger en hoger gooit de jonge jongleur zijn
ballen de lucht in, laat ze dan snel ronddraaien, tot er vier, vijf, zes, zeven
ballen ronddansen in de stoffige lucht, de
Galilei-satellieten van Jupiter.
Plots verschijnt daar als het ware uit het niet de koster.
Onbeschoft en met zijn gezicht rood van woede stoot hij met zijn bezemstok de
jonge jongleur in de maag en zegt: ‘Weet jij dan niet waar je bent, jij grote
domoor? Weet je dat niet?’ Maar het Mariabeeld krijgt een tedere glans en
glimlacht en lacht plots heel luid. Haar sokkel helt lichtjes voorover en ook
zijzelf buigt zich voorover naar de kleine kunstenaar en veegt met haar
handpalm het zweet van zijn voorhoofd.
Reacties